Uitspraak
2 april 2014, 12/5228 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege psychische klachten, maar het UWV wees dit af omdat hij naar oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in staat is passend werk te verrichten met een inkomen boven 75% van het minimumloon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was, waarbij rekening is gehouden met de beperkingen van appellant, waaronder persoonlijk en sociaal functioneren. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) weerspiegelt deze beperkingen adequaat. De door appellant aangevoerde extra beperkingen, zoals handelingstempo, concentratievermogen en urenomvang, zijn niet objectief vastgesteld.
Verder is onvoldoende bewijs voor een tijdelijke verslechtering van de medische situatie rond zijn 17e-18e levensjaar. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen. De Raad ziet geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige en verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigend dat appellant geen Wajong-uitkering toekomt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering bevestigd.