ECLI:NL:CRVB:2015:3553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verlies procesbelang in WIA-uitkeringszaak
Betrokkene was directeur en medeaandeelhouder van appellante en werkte tevens als medewerker bakkerij op basis van een overeenkomst van opdracht. Na ernstige continuïteitsproblemen werd hij ontslagen als directeur en zette hij zijn werkzaamheden voort. Betrokkene meldde zich ziek op 11 februari 2010 en vroeg een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat betrokkene al bij aanvang van de verzekering arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat betrokkene al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering, terwijl het UWV zijn standpunt wijzigde en stelde dat betrokkene vanaf 1 januari 2010 niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit door het nadere besluit van het UWV was ingetrokken, waardoor appellante haar procesbelang verloor en haar hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Betrokkene moest aannemelijk maken dat hij vanaf 1 januari 2010 of 11 februari 2010 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond, hetgeen niet was gelukt. Het beroep van betrokkene werd daarom ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.