ECLI:NL:CRVB:2015:3561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvragen wegens onduidelijke verblijfplaats en gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verklaarde dakloos te zijn. Na onderzoek bleek appellant niet op de opgegeven verblijfslocaties aanwezig te zijn en weigerde hij informatie te verstrekken over zijn werkelijke verblijfplaats. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en wees het de aanvraag af.
Bij een tweede aanvraag gaf appellant aan een zolderkamer te huren bij de moeder van zijn dochter. De gemeente stelde vast dat deze zolderkamer niet als zelfstandige woning kan worden aangemerkt, omdat essentiële woonvoorzieningen ontbraken. Hierdoor werd geconcludeerd dat appellant en de moeder een gezamenlijke huishouding voeren, wat uitsluiting van zelfstandige bijstand betekent.
De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad benadrukte dat de inlichtingenplicht strikt geldt en dat de objectieve feiten bepalend zijn voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van appellant.
Uitkomst: De bijstandsaanvragen van appellant worden afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht en het voeren van een gezamenlijke huishouding.