ECLI:NL:CRVB:2012:BX8470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WWIK-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een WWIK-uitkering als alleenstaande ouder, maar het college stelde vast dat hij vanaf 15 september 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met appellante, zijn ex-echtgenote, met wie hij kinderen heeft. Dit werd niet gemeld, wat leidde tot intrekking van de uitkering en terugvordering van €8.281,82.
De rechtbanken oordeelden deels in het voordeel van appellanten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt dat op grond van het onweerlegbare rechtsvermoeden in artikel 2, vierde lid, WWIK, sprake is van gezamenlijke huishouding omdat zij hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en kinderen uit hun relatie zijn geboren. De woonruimte van appellant is geen zelfstandige woning vanwege het ontbreken van eigen toegang en badkamer.
Het beroep dat het rechtsvermoeden leidt tot verboden discriminatie wordt verworpen, evenals het verweer dat appellant zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Het onderzoek door de sociale recherche is voldoende zorgvuldig. De Raad verklaart de beroepen tegen de terugvorderingsbesluiten ongegrond en bevestigt de intrekking van de uitkering.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 september 2012 en betreft hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De intrekking van de WWIK-uitkering en terugvordering van €8.281,82 worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding zonder melding.