ECLI:NL:CRVB:2015:358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand bij onverklaarde kasstortingen en dwangsombesluit
Appellant heeft meerdere keren een aanvraag om bijstand ingediend bij het dagelijks bestuur van de Dienst Werk en Inkomen Lekstroom. Bij de aanvragen werd gevraagd om bewijsstukken van de herkomst van kasstortingen op zijn bankrekening, die in totaal €7.400 bedroegen over de periode van september 2010 tot februari 2011. Appellant kon deze kasstortingen niet aannemelijk maken met objectieve en verifieerbare gegevens, zoals verkoopnota's of bankafschriften.
Het dagelijks bestuur stelde de aanvraag van 10 juni 2011 buiten behandeling vanwege het niet aanleveren van gevraagde stukken en wees later de aanvraag van 15 februari 2011 af. Appellant stelde bezwaar en verzocht om een dwangsom wegens het uitblijven van een beslissing. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het dwangsombesluit af omdat tijdig was beslist.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt waaruit zijn levensonderhoud bestond. De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak voor zover de rechtbank niet oordeelde over het dwangsombesluit, verklaart het beroep tegen dat besluit ongegrond, en bevestigt het overige. De Raad oordeelt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen volledige en samenhangende verklaring te geven over de kasstortingen en bankafschriften, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De Raad veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het dwangsombesluit wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het nadere besluit wordt afgewezen; het recht op bijstand wordt niet toegekend wegens onvoldoende bewijs van de herkomst van kasstortingen.