ECLI:NL:CRVB:2015:3737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering door UWV
Appellant was werkzaam op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en meldde zich ziek tijdens het dienstverband. Na het einde van het dienstverband vroeg appellant een WW-uitkering aan, die later door het UWV werd ingetrokken vanwege onverschuldigde betaling over een periode waarin appellant ziek was en een Ziektewet-uitkering ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV wettelijk verplicht was de onverschuldigde uitkering terug te vorderen, ondanks een fout van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet gehoord was, geen inzage had in stukken, en dat hij psychische problemen had waardoor verrekening redelijk zou zijn.
De Raad stelde vast dat de bezwaren van appellant niet slaagden: er was een telefonische hoorzitting geweest, stukken waren toegezonden en de nieuwe besluiten van het UWV vielen buiten het bestreden besluit. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering.
Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 oktober 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering door het UWV.