ECLI:NL:CRVB:2015:3749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- J. Brand
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering maatschappelijke opvang en leefgeld op grond van Wmo en WWB
Appellante, van Tibetaanse afkomst, diende op 6 juli 2012 een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag op 31 oktober 2012 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 22 april 2013. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarbij werd geoordeeld dat appellante geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang omdat zij geen rechtmatig verblijf had en niet tot een kwetsbare groep behoorde.
Later verleende de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 11 augustus 2014 met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning aan appellante, waardoor de eerdere weigering op basis van de Vreemdelingenwet 2000 niet langer houdbaar was. Desondanks oordeelde de Raad dat appellante gedurende de relevante periode geen dakloosheid of dreiging daarvan kende, omdat zij onderdak had bij particulieren en opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
De Raad passeerde het motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat appellante daardoor niet benadeeld was. Tevens werd overwogen dat voor het verzoek om leefgeld een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) moet worden gedaan, waarbij bijstand met terugwerkende kracht slechts onder bijzondere omstandigheden wordt toegekend. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, met een veroordeling van het college in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang en leefgeld door het college Utrecht.