ECLI:NL:CRVB:2014:1884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzocht het college om maatschappelijke opvang en leefgeld ter voorkoming van dakloosheid. Het college wees dit verzoek af omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfstitel en er geen noodsituatie was die toelating tot crisisopvang rechtvaardigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij sinds 23 april 2013 opvang kreeg in een asielzoekerscentrum, waardoor het beroep betrekking had op een verstreken periode en er geen actueel belang was bij inhoudelijke beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang van appellante heeft ontkend en vernietigt de uitspraak. De Raad beoordeelt vervolgens inhoudelijk dat appellante op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. Ook het beroep op artikel 3 en Pro 8 EVRM faalt omdat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat haar fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd en zij feitelijk opvang bij kennissen geniet.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het college in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.