ECLI:NL:CRVB:2015:3824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant vroeg op 5 juli 2012 een IOAW-uitkering aan en gaf aan bij zijn broer in te wonen. Het college wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding met zijn broer zou voeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat taalproblemen en misverstanden de verklaringen beïnvloedden en dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde. Tevens stelde hij dat hij tijdelijk zorgbehoevend was en dat de situatie in mei 2013 gelijk was aan die in juli 2012.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn broer hun hoofdverblijf deelden en dat sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door het delen van boodschappen en gezamenlijke maaltijden. De verschillen in verklaringen werden toegeschreven aan kennis van het standpunt van het college. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij zorgbehoevend was in de zin van de IOAW. Ook was de situatie in mei 2013 anders dan in juli 2012.
De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag afwees en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de IOAW-uitkering omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer.