Uitspraak
29 april 2014, 13/6535 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na anonieme meldingen en een onderzoek naar zijn verblijfplaats, waarbij onder meer water-, gas- en elektriciteitsverbruik en buurtverklaringen werden betrokken, concludeerde het college dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.
Het college trok de bijstand over de periode van 1 oktober 2010 tot 30 mei 2011 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel op het uitkeringsadres verbleef en dat het lage waterverbruik verklaarbaar was.
De Raad stelde vast dat de rechtbank haar oordeel baseerde op een grondslag die het college niet had gebruikt, maar beoordeelde het besluit op de juiste grondslag. Het extreem lage waterverbruik, lage elektriciteits- en gasverbruik en verklaringen van buurtbewoners ondersteunden het oordeel dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Appellant slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet woonachtig zijn op het uitkeringsadres.