ECLI:NL:CRVB:2015:3935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden WWB
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de WWB als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat zij werd aangemerkt als gehuwde vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met een vriendin. Dit bleek uit een onderzoek waarbij werd vastgesteld dat zij samen het huishouden voerden en elkaars kosten deelden.
Het college baseerde de afwijzing op het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, omdat appellante binnen twee jaar na het aanmerken als gehuwde opnieuw bijstand aanvroeg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het besluit van 3 juni 2013 onduidelijk was en onterecht stelde dat zij de inlichtingenplicht had geschonden. De Raad oordeelde echter dat het besluit duidelijk maakte dat appellante als gehuwde werd aangemerkt vanwege het gezamenlijke huishouden en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden terecht werd toegepast.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de bijstandsaanvraag terecht werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante werd terecht afgewezen vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding binnen twee jaar na aanmerken als gehuwde.