ECLI:NL:CRVB:2015:398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was per 7 mei 2012. Appellant stelde dat hij door een beroerte hersenschade had opgelopen die zijn functioneren ernstig beperkt, met name op het gebied van concentratie, geheugen en het gelijktijdig uitvoeren van taken.
In hoger beroep heeft appellant diverse medische rapporten overgelegd ter onderbouwing van zijn beperkingen, waaronder een neuropsychologisch rapport en brieven van specialisten. Het UWV en de rechtbank hadden echter op basis van verzekeringsartsenrapporten beperkingen vastgesteld die volgens hen voldoende rekening hielden met de beperkingen van appellant.
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsenrapporten, die zorgvuldig en consistent tot stand zijn gekomen, een bijzondere bewijskracht hebben. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapporten onjuist of onvoldoende zijn. De Raad vond dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren aangepast en dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de weigering van de WIA-uitkering bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.