ECLI:NL:CRVB:2015:4000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over aanvraag Wajong-uitkering en beoordeling nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1986, diende meerdere aanvragen in voor een Wajong-uitkering. Na opname in een orthopsychiatrisch centrum werd in 2004 een Wajong-uitkering toegekend, maar per 27 oktober 2004 beëindigd wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. Latere aanvragen in 2010 en 2013 werden afgewezen, waarbij het UWV oordeelde dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangetoond.
Appellant voerde aan dat hij met Wajongrechten wilde werken met loondispensatie en overhandigde een psychologisch rapport van Emergis uit 2013. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het rapport niet tijdig was ingediend en het UWV terecht het verzoek afwees op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
De Centrale Raad stelt dat de aanvraag mede betrekking heeft op de toekomst en dat appellant in beroep nadere bewijsstukken mocht aandragen. Het UWV heeft echter nagelaten te beoordelen of, gelet op eerdere jurisprudentie, de eerdere beëindiging van de Wajong-uitkering aan appellant kan worden tegengeworpen.
Daarom beveelt de Raad het UWV binnen zes weken het beoordelingsgebrek te herstellen, zodat het besluit opnieuw en volledig wordt getoetst. Deze tussenuitspraak leidt tot een nadere beoordeling van de aanvraag en de motieven van appellant.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het beoordelingsgebrek in het besluit te herstellen binnen zes weken.