ECLI:NL:CRVB:2015:4036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vergoeding kosten bij Ziektewetuitkering na bezwaar en beroep
Appellant ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en meldde zich op 15 maart 2010 ziek. Het UWV verklaarde hem bij besluit van 14 november 2011 hersteld en beëindigde de Ziektewetuitkering per 21 november 2011. Appellant maakte bezwaar, dat bij besluit van 23 januari 2012 ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Tijdens het hoger beroep nam het UWV op 19 februari 2015 een nieuw besluit waarin het eerdere besluit werd herroepen en appellant alsnog ongeschikt werd geacht voor arbeid, waardoor zijn Ziektewetuitkering bleef bestaan. Appellant gaf aan dat zijn bezwaren waren gehonoreerd, maar wenste een inhoudelijk oordeel over de handelwijze van het UWV, met name over de vergoeding van kosten in bezwaar.
De Raad oordeelde dat het nieuwe besluit het eerdere verving en dat het beroep daarop mede betrekking had. Het UWV had ten onrechte niet beslist op het verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar. De Raad vernietigde het besluit voor zover het niet op dit verzoek besliste en veroordeelde het UWV tot vergoeding van € 980,- aan kosten in bezwaar en tot betaling van proceskosten van in totaal € 2.205,-. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 157,- vergoed.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten in bezwaar en proceskosten, en het eerdere besluit wordt vernietigd voor zover het niet besliste op het verzoek om kostenvergoeding.