Appellant volgde een studie Economie waarvoor hij een prestatiebeurs ontving, maar brak deze studie af. Vervolgens rondde hij een particuliere opleiding tot verkeersvlieger aan de Oxford Aviation Academy (OAA) af. Hij verzocht om omzetting van de prestatiebeurs in een gift op basis van het behaalde diploma, maar de minister wees dit af omdat de opleiding niet voldeed aan accreditatie-eisen volgens de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep stelde appellant dat zijn opleiding aan de OAA identiek was aan de geaccrediteerde opleiding aan de Nationale Luchtvaartschool (NLS) en dat de wettelijke criteria onjuist werden toegepast.
De Raad oordeelde dat de minister terecht de accreditatiecriteria hanteerde, maar dat de minister naliet de hardheidsclausule toe te passen. Gezien de sterke overeenkomsten tussen de opleidingen en het tijdstip waarop appellant zijn diploma behaalde, leidt strikte toepassing van de regeling tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De Raad herroept het besluit van 4 november 2011 en bepaalt dat 24 maanden prestatiebeurs worden omgezet in een gift, waarmee de uitspraak in die zin het bestreden besluit vervangt. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.