ECLI:NL:CRVB:2015:4147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand na werkzaamheden op markt onterecht vastgesteld
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd verdacht van het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden op markten, wat niet was gemeld. De gemeente stelde het recht op bijstand schattenderwijs vast en vorderde ten onrechte € 11.262,17 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant betwistte de waarnemingen en stelde dat hij geen arbeid verrichtte. De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare arbeid ook zonder intentie relevant is en dat de waarnemingen van handhavingsmedewerkers en marktmeesters voldoende feitelijke grondslag boden.
Echter bleek de schatting van het aantal uren en daarmee de terugvordering op een onjuiste berekening te berusten. De Raad stelde vast dat het college het recht op bijstand opnieuw moet vaststellen met inachtneming van de juiste uren en inkomsten, en dat het beroep gegrond is. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met correcte vaststelling van het recht op bijstand.