Uitspraak
2 juni 2014, 14/62 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten dienden een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het dagelijks bestuur vroeg hen meerdere malen om bewijsstukken, waaronder bank- en spaarafschriften over een specifieke periode. Ondanks herhaalde afspraken en hersteltermijnen werden deze stukken niet volledig overgelegd.
Het dagelijks bestuur stelde de aanvraag daarom buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellanten voerden aan dat zij de bankafschriften niet konden overleggen omdat de rekeningen waren opgeheven en dat zij geen tweede hersteltermijn hadden gekregen. Ook stelden zij dat zij niet wisten welke gegevens zij moesten aanleveren omdat zij een brief niet tijdig hadden ontvangen.
De Raad oordeelde dat appellanten redelijkerwijs in staat hadden moeten zijn om de gevraagde stukken over te leggen, omdat het ging om een periode in het verleden. Het niet tijdig vragen om een verlenging van de hersteltermijn was hun eigen verantwoordelijkheid. Ook was er geen wettelijke grond voor een tweede hersteltermijn en was het dagelijks bestuur voldoende coulant geweest door meerdere termijnen te bieden. De stelling dat de brief niet was ontvangen werd ongeloofwaardig geacht.
De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en dat het beroep van appellanten ongegrond was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften.