ECLI:NL:CRVB:2015:416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens hypotheekbetalingen vader als middelen appellant
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg daarnaast een woonkostentoeslag vanwege hoge hypotheeklasten. Uit onderzoek bleek dat de vader van appellant sinds oktober 2010 de hypotheeklasten betaalde. Het college trok daarop de bijstand in, omdat deze betalingen als middelen van appellant werden beschouwd die op de bijstand in mindering moesten worden gebracht.
Appellant voerde aan dat de betalingen afkomstig waren uit de verkoopopbrengst van zijn vleugel, die hij bij zijn vader in bewaring had gegeven, en dat hij daardoor niet hoefde te melden dat zijn vader de hypotheeklasten betaalde. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden omdat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat deze betalingen van invloed waren op zijn recht op bijstand.
De Raad stelde vast dat appellant niet had onderbouwd dat de betalingen van zijn vader uit de verkoopopbrengst van de vleugel kwamen en dat hij geen bewijs had geleverd van afspraken met zijn vader over deze betalingen. De betalingen van de vader werden daarom aangemerkt als middelen van appellant waarover hij redelijkerwijs kon beschikken, ook al had hij er feitelijk geen directe beschikking over.
Omdat de maandelijkse hypotheekbetalingen hoger waren dan de bijstandsnorm, was het college bevoegd de bijstand met ingang van 1 oktober 2010 in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat de hypotheekbetalingen van de vader als middelen van appellant gelden.