ECLI:NL:CRVB:2015:4209

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2015
Publicatiedatum
26 november 2015
Zaaknummer
14/5490 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens ontbrekende financiële gegevens

Appellant heeft zijn bedrijf verkocht en vervolgens een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft appellant meerdere malen verzocht om financiële gegevens over de exploitatie en beëindiging van het bedrijf, waaronder winst- en verliesrekeningen en jaarstukken, maar appellant heeft deze niet binnen de gestelde termijnen aangeleverd.

Het college stelde de aanvraag daarom buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb. Appellant maakte bezwaar, dat door het college en vervolgens door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn accountant de gevraagde stukken niet wilde verstrekken vanwege openstaande rekeningen, maar hij kon dit niet aannemelijk maken.

De Raad oordeelde dat de gevraagde gegevens essentieel zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om deze aan te leveren. Het college was daarom bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van noodzakelijke financiële gegevens.

Uitspraak

14/5490 WWB
Datum uitspraak: 24 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
27 augustus 2014, 14/1643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. te Vrede.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Appellant heeft op 31 maart 2013 zijn bedrijf ([naam bedrijf]) verkocht voor een bedrag van € 80.000,-. Op 2 oktober 2013 heeft appellant zich gemeld om een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand te doen. Tijdens het intakegesprek op 24 oktober 2013 heeft het college appellant een brief meegegeven met het verzoek om de daarin vermelde gegevens vóór 31 oktober 2013 te overleggen. Deze gegevens hadden met name betrekking op de exploitatie en beëindiging van zijn bedrijf, waaronder de winst en verliesrekening over het lopende boekjaar tot datum bedrijfsbeëindiging en de jaarstukken van de laatste drie jaren. Bij brieven van 5 november 2013, 2 december 2013 en 16 december 2013 heeft het college appellant vervolgens nogmaals in de gelegenheid gesteld, laatstelijk tot 20 december 2013, de ontbrekende stukken in te leveren. Het college heeft appellant er daarbij op gewezen dat zijn aanvraag buiten behandeling wordt gelaten als hij niet tijdig de juiste informatie verstrekt.
1.3.
Bij besluit van 24 december 2013 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant op 20 december 2013 niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd.
1.4.
Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen
4.2.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.
4.3.
Niet in geschil is dat de onder 1.2 gevraagde gegevens voor de beslissing op de aanvraag van appellant nodig zijn, dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen en dat die aanvulling niet binnen de hem gegeven termijn, eindigend op 20 december 2013, heeft plaatsgevonden. In geschil is of appellant redelijkerwijs kon beschikken over de gevraagde financiële gegevens.
4.4.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op 13 december 2013 heeft aangegeven dat zijn accountant de gevraagde stukken niet leveren omdat appellant nog openstaande rekeningen bij hem had. Deze accountant zou volgens appellant wel bereid zijn om de klantmanager van appellant een e-mail te sturen met daarin de stand van zaken. Nog daargelaten voor wiens rekening en risico het komt dat de accountant, zoals appellant stelt, de financiële stukken van het door appellant beëindigde bedrijf niet wilde verstrekken, geldt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de accountant dat niet wilde doen. De stukken geven daarvan geen blijk. Appellant heeft aldus onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie op grond waarvan het college niet in staat was zijn aanvraag te beoordelen.
4.5.
Gelet op wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd .
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD