Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand en weigerde twee door het college aangeboden trajecten te volgen. Het college verlaagde daarop de bijstand met 100% gedurende één maand op grond van artikel 6 van Pro de Verordening 2013. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat artikel 6 geen Pro verbindende kracht heeft vanwege het ontbreken van voldoende criteria voor het vaststellen van hoogte en duur van de maatregel.
In hoger beroep betoogde het college dat artikel 6, mede gezien de toelichting, wel voldoende criteria bevatte. De Raad overwoog dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen aan zijn gedraging kunnen worden verbonden en dat de toelichting slechts verduidelijkend is en geen criteria kan toevoegen.
De Raad concludeerde dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 geen onderscheid maakt tussen lichte en gewone verplichtingen en tussen het niet of onvoldoende nakomen daarvan, waardoor het college zijn verordenende bevoegdheid niet juist heeft uitgevoerd. Dit leidt tot het oordeel dat artikel 6 in Pro zijn geheel verbindende kracht mist.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens het ontbreken van verbindende kracht van artikel 6 van de Verordening 2013.