ECLI:NL:CRVB:2015:4212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging en terugvordering WWB-uitkering wegens verlies woonplaats
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef aanvankelijk in een kraakpand in zijn oorspronkelijke gemeente. Vanaf 22 oktober 2012 verbleef hij feitelijk in een beschermde woonvorm in een andere gemeente, waar hij zich ook inschreef. Het college beëindigde de bijstand met ingang van 28 november 2012 en vorderde de kosten over die periode terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat hij zijn vader als getuige had moeten mogen laten horen en dat getuigen van de gemeente niet waren opgeroepen. De Raad oordeelde dat het horen van de vader als partijverklaring had plaatsgevonden en dat het niet oproepen van getuigen door appellant zelf had moeten gebeuren.
Juridisch stond centraal of appellant zijn woonplaats had verloren in de oorspronkelijke gemeente. De Raad stelde vast dat de inschrijving in de GBA van de nieuwe gemeente en het feit dat appellant geen vaste woning meer had in de oude gemeente, wezen op verlies van woonplaats. Het college handelde niet in strijd met beleid door de bijstand te beëindigen. De stelling van appellant over toezeggingen door gemeenteambtenaren werd niet onderbouwd.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat de vader van appellant pas later in de nieuwe gemeente was ingeschreven. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging en terugvordering van de bijstand aan appellant wegens verlies van woonplaats.