ECLI:NL:CRVB:2019:1473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar en ingangsdatum bijstand na detentie
Appellant heeft na zijn detentie bij het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen meerdere keren bijstand aangevraagd. De eerste aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens het niet aanleveren van gevraagde stukken. Een latere aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet had aangetoond in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren. Appellant diende een voorlopig bezwaarschrift in zonder concrete gronden, waarna het college een aanbiedingsbrief met hersteltermijn stuurde. Appellant diende de gronden te laat in, waarna het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en vernietigde een besluit over de ingangsdatum van de bijstand, waarbij de rechtsgevolgen in stand bleven. In hoger beroep voerde appellant aan dat het voorlopige bezwaarschrift wel gronden bevatte en dat de aanbiedingsbrief niet was ontvangen, waardoor het beginsel van equality of arms was geschonden. De Raad oordeelde dat het voorlopige bezwaarschrift geen concrete gronden bevatte en dat het college aannemelijk had gemaakt dat de aanbiedingsbrief met hersteltermijn was verzonden. De enkele ontkenning van appellant was onvoldoende om dit te weerleggen.
Verder oordeelde de Raad dat appellant geen bijzondere omstandigheden had gesteld die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en de ingangsdatum van de bijstand wordt bevestigd per 1 maart 2017 zonder terugwerkende kracht.