ECLI:NL:CRVB:2015:4269

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2015
Publicatiedatum
1 december 2015
Zaaknummer
13/4207 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)Ziektewet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen

Appellant, laatstelijk werkzaam als spuiter/straler, meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en kende geen WIA-uitkering toe. Na een tweede ziekmelding en toekenning van een Ziektewetuitkering beëindigde het UWV deze uitkering op grond van het oordeel dat appellant in staat was een voorbeeldfunctie, zoals inpakker, te verrichten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de conclusie van het UWV standhield. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkt was dan aangenomen, maar de Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek deugdelijk was en dat er geen reden was om aan de juistheid te twijfelen.

De Raad wees erop dat het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts niet onzorgvuldig was, omdat relevante medische informatie van specialisten beschikbaar was. Ook het door appellant ingediende psychologisch rapport was niet relevant voor de beoordeling op de peildatum.

De Raad corrigeerde een onjuiste uitspraak van de rechtbank over de definitie van arbeid in de Ziektewet, maar bevestigde het besluit dat appellant in staat is tot arbeid in een voorbeeldfunctie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

13/4207 ZW
Datum uitspraak: 23 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2013, 13/266 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn neef [naam neef] en mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was laatstelijk werkzaam als spuiter/straler. Hij heeft zich op 12 oktober 2009 ziek gemeld vanwege een zwelling in de hals. Na ommekomst van de wachttijd heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van
10 oktober 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Appellant heeft zich op 7 december 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de WW ziek gemeld, ditmaal met verschillende psychische en lichamelijke klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De verzekeringsarts van het Uwv heeft overwogen dat appellant met ingang van 11 oktober 2012 in staat moet worden geacht één van de twee door de arbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van
10 oktober 2012 geselecteerde functies te verrichten. Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 11 oktober 2012 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten aangevoerd.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv niet onzorgvuldig is geweest en dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv was voldoende op de hoogte van de van belang zijnde informatie uit de behandelend sector, waaronder informatie van de neuroloog, de MDL-arts en de psycholoog en heeft deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. Dat de verzekeringsartsen geen lichamelijk onderzoek hebben verricht, maakt niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976) maakt het achterwege laten van een lichamelijk onderzoek niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over de informatie van de neuroloog, die appellant op
5 november 2012 lichamelijk heeft onderzocht, was er geen noodzaak zelf een lichamelijk onderzoek ter verrichten. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met zijn rapport van 27 februari 2013 gereageerd op het beroepschrift van appellant in eerste aanleg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat in de voor appellant geselecteerde voorbeeldfuncties geen sprake is van een voortdurend hoog werktempo en dat in deze functies geen schroefbewegingen met de rechterhand gemaakt hoeven worden. Uit de brief van de neuroloog blijkt dat de rug- en beenklachten het gevolg zijn van een hernia op L4-L5. Appellant heeft tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet vermeld problemen te ondervinden als gevolg van zijn rugklachten. Bovendien is een beperking gesteld voor tillen en dragen. De desbetreffende verzekeringsgeneeskundige rapporten zijn duidelijk en overtuigend. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt in de brief van 25 augustus 2015, ziet het in hoger beroep door appellant ingediend rapport van psychologen S.C. Los en A.P.T. Wintels van 5 juli 2007 niet op de datum in geding. Het rapport bevat geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. Hetgeen appellant ter zitting heeft gezegd, geeft geen reden voor een ander oordeel.
4.2.
De rechtbank heeft ten onrechte vermeld dat voor appellant zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW is de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid in dienst van een soortgelijke werkgever. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in staat wordt geacht één van de voor hem in het kader van een WIA-procedure geselecteerde voorbeeldfuncties, bijvoorbeeld inpakker, te verrichten. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant hiertoe in staat wordt geacht.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op wat in 4.2 is overwogen, met verbetering van gronden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D. van Wijk

JL