ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- E. Dijt
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering ondanks ontbreken lichamelijk onderzoek
Appellant viel sinds 1989 uit wegens gezondheidsklachten en ontving een WAO-uitkering van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2001 door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor arbeid zonder verlies van verdiencapaciteit. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 1 juni 2002. Appellant maakte bezwaar en stelde dat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en dat hij niet geschikt was voor de aangeduide functies vanwege lichamelijke klachten en taalproblemen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was, met voldoende onderbouwing van de arbeidsbeperkingen. De Raad voegde hieraan toe dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek niet leidt tot onzorgvuldigheid, mede omdat de bezwaarverzekeringsarts appellant heeft gehoord en beschikte over medische informatie van huisarts en specialist. De Raad verwierp de stellingen van appellant over ongeschiktheid voor functies en taalgebrek.
Hoewel het maatmanloon in het bestreden besluit onjuist was vastgesteld, had dit geen gevolgen voor de uitkomst omdat het na correcties nog steeds lager was dan de resterende verdiencapaciteit. De Centrale Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en handhaafde de beëindiging van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering ondanks het ontbreken van lichamelijk onderzoek.