ECLI:NL:CRVB:2015:4281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toekenning WAO-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking prostitutieperiode
Appellante verzocht om een WAO-uitkering toegekend te krijgen over de periode 1979-1985, stellende dat zij toen in dienstbetrekking als prostituee werkzaam was. Het Uwv had dit geweigerd omdat appellante niet kon aantonen dat premies werknemersverzekeringen waren afgedragen en zij volgens de jaarrekeningen als zelfstandige werkte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er onvoldoende bewijs was voor een dienstverband. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar administratie door haar souteneur werd gevoerd en zij feitelijk geen zelfstandige was, maar onder gezag werkte.
De Raad oordeelde dat appellante, gezien het grote tijdsverloop, een zware bewijslast had en deze niet had voldaan. De enkele eigen verklaring was onvoldoende om een dienstbetrekking aan te nemen. Bovendien was een arbeidsovereenkomst tussen echtgenoten tot 1997 wettelijk uitgesloten, wat ook een dienstverband in de periode 1977-1983 onmogelijk maakte.
Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet heeft aangetoond dat zij tussen 1979 en 1985 in dienstbetrekking werkzaam was, waardoor de WAO-uitkering wordt afgewezen.