ECLI:NL:CRVB:2015:4282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor schoonmaakwerk
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, stopte op 1 februari 2010 met werken vanwege psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering op 30 januari 2013 besloot het UWV dat zij vanaf 30 januari 2012 geen recht had op een uitkering, omdat zij medisch gezien geschikt was voor haar werk.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het lichamelijk onderzoek voortijdig was gestaakt, er geen informatie van haar huisarts was opgevraagd, en dat haar medicijngebruik niet was meegewogen. Ook stelde zij dat zij niet geschikt was voor haar werk en dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het staken van het lichamelijk onderzoek niet betekent dat het onderzoek onzorgvuldig was. De verzekeringsarts had haar bevindingen duidelijk gerapporteerd en er was geen aanleiding om meer informatie te vragen. De brief van een psycholoog uit 2000 werd niet doorslaggevend geacht vanwege de actuele medische situatie en de specifieke functiebelasting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante medisch geschikt is voor haar schoonmaakwerk en wijst het hoger beroep af.