ECLI:NL:CRVB:2015:4286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet voor in het buitenland wonende AOW-gerechtigde en echtgenote
Appellant, geboren in 1938, woont sinds november 2010 met zijn echtgenote in het Verenigd Koninkrijk en ontvangt een AOW-pensioen uit Nederland en wettelijke pensioenen uit België en Duitsland. Het Zorginstituut heeft vanaf december 2010 een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden op zijn AOW-pensioen omdat hij en zijn echtgenote recht hebben op zorg in het Verenigd Koninkrijk ten laste van Nederland.
Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, onder meer omdat hij en zijn echtgenote ook particuliere verzekeringen hebben en omdat zijn echtgenote een Engels wettelijk pensioen ontvangt en recht heeft op zorg via de NHS. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat op grond van artikel 25 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 69 van Pro de Zvw Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de zorgkosten in het woonland Verenigd Koninkrijk. De buitenlandbijdrage is daarom terecht ingehouden. Voor de echtgenote geldt dat zij tot april 2012 als verdragsgerechtigd gezinslid viel onder het Nederlandse zorgstelsel, ondanks haar recht op NHS-zorg en het Engelse pensioen dat zij vanaf maart 2012 ontvangt. De Raad wijst op relevante jurisprudentie en bevestigt dat het Zorginstituut geen onjuiste gegevens heeft gebruikt.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage Zvw op het AOW-pensioen van appellant en zijn echtgenote wordt bevestigd.