Uitspraak
5 augustus 2014, 14/1393 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een Ziektewetuitkering berekend op basis van een dagloon van €103,07, vastgesteld door het UWV. Hij betwistte dat bij de berekening geen rekening was gehouden met overuren die hij in het refertejaar had gewerkt maar pas na het refertejaar waren uitbetaald.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht het loon uit de dienstbetrekking als basis nam en dat de overuren buiten het refertejaar waren betaald, waardoor artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit niet van toepassing was. Appellant voerde aan dat de overuren weliswaar pas later werden betaald, maar wel vorderbaar waren binnen het refertejaar.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Gelet op de wettelijke bepalingen en de feitelijke omstandigheden, waaronder het gebruik in de transportsector dat overuren pas na de referteperiode worden uitbetaald, was het niet mogelijk om deze overuren mee te nemen in de dagloonberekening. Dit leidde tot een ongunstige uitkomst voor appellant, maar de Raad vond geen grond om hiervan af te wijken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.