ECLI:NL:CRVB:2015:4451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante was sinds 2002 werkzaam als schoonmaakster en viel in 2004 uit wegens psychische klachten. Na eerdere afwijzingen van WIA-uitkeringen en een periode van ziektewet, vroeg zij in 2010 opnieuw een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsartsen werd onderschreven.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat de verzekeringsartsen ten onrechte de depressieve stoornis niet als uitgangspunt namen. Zij verzocht om een deskundigenonderzoek vanwege twijfel over de juiste diagnose. De Raad schakelde een deskundige in die concludeerde dat er geen eenduidige diagnose voor de datum in geding kon worden gegeven, maar dat er sprake was van een persoonlijkheidsstoornis NAO, ongedifferentieerde somatoforme stoornis en dysthyme stoornis.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De bevindingen van de deskundige week niet significant af van die van de verzekeringsartsen. De Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.