ECLI:NL:CRVB:2015:4483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering WIA-uitkering wegens onduidelijke ziekteoorzaak
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen vanaf 7 januari 2013, omdat volgens het UWV de toename van zijn klachten voortkomt uit een andere ziekteoorzaak en de wachttijd van 104 weken nog niet was verstreken.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de psychische toestand onveranderd was en dat er geen sprake was van een depressie in engere zin, maar van negatieve copingmechanismen die geen arbeidsongeschiktheid door pathologie rechtvaardigen.
In hoger beroep betoogt appellant dat zijn klachten wel voortkomen uit dezelfde oorzaak, namelijk een door zijn behandelend specialist vastgestelde depressie. De Raad beoordeelt de medische rapporten en constateert dat er aanwijzingen zijn dat de klachten en beperkingen zijn toegenomen door een depressieve episode, maar dat onvoldoende is gemotiveerd dat dit onomstotelijk een andere ziekteoorzaak betreft.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag berust en draagt het UWV op om binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen, zodat het geschil definitief kan worden beslecht.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen wegens onvoldoende medische motivering over de ziekteoorzaak.