Uitspraak
van 22 mei 2014, 13/3409 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf december 2008 een WIA-uitkering. In maart 2010 werd in een door appellant gehuurd bedrijfspand een hennepkwekerij aangetroffen. Appellant werd strafrechtelijk veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt in de periode september 2009 tot maart 2010.
Het UWV stelde op basis van het politieonderzoek vast dat appellant inkomsten uit de hennepkwekerij had genoten die niet waren gemeld, en herzag de WIA-uitkering over de periode september 2009 tot maart 2010. Het teveel betaalde bedrag van ruim €15.000 werd teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV terecht aansloot bij het rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, dat er geen sprake was van inkomsten uit arbeid, en dat de strafrechtelijke ontnemingsvordering van €3.200 het maximale wederrechtelijk voordeel was. Ook stelde hij dat artikel 6 EVRM Pro bescherming bood. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de strafrechtelijke ontnemingsvordering niet in de weg staat aan de terugvordering van de uitkering, dat het beroep op artikel 6 EVRM Pro niet slaagt omdat het hier geen punitieve sanctie betreft, en bevestigde de terugvordering van de onverschuldigde WIA-uitkering.
Uitkomst: De terugvordering van de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering wegens betrokkenheid bij hennepkwekerij wordt bevestigd.