ECLI:NL:CRVB:2015:4549

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2015
Publicatiedatum
15 december 2015
Zaaknummer
15/224 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant, bijstandontvanger sinds 2011, verhuisde in 2013 naar een tijdelijke woning die in september 2013 zou worden gesloopt. Voor deze verhuizing ontving hij bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. In 2014 vroeg hij opnieuw bijzondere bijstand aan voor de inrichting van een nieuwe woning, maar het college wees dit af omdat de kosten als algemeen noodzakelijke kosten werden beschouwd en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat de verhuizing onverwacht was en dat hij vanwege schulden niet had kunnen reserveren voor de kosten. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen reserveren, gezien de tijdelijke aard van de eerste woning en de bekende sloopdatum.

Daarnaast verwierp de Raad het argument dat schulden een bijzondere omstandigheid vormden, verwijzend naar vaste jurisprudentie die stelt dat schulden geen grond zijn voor bijzondere bijstand. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat appellant redelijkerwijs had kunnen reserveren en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.

Uitspraak

15/224 WWB
Datum uitspraak: 15 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
15 december 2014, 14/7641 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015. Appellant is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het college heeft zich, eveneens met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang sinds 14 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 13 maart 2013 heeft appellant een woning op het adres [adres 1] (oude woning) gehuurd voor een beperkte periode, namelijk tot aan de datum waarop die woning zou worden gesloopt. Die sloop was gepland omstreeks 30 september 2013. Het college heeft aan appellant ter zake van de verhuizing naar die woning bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten verleend tot een bedrag van
€ 3.000,-.
1.2.
Op 20 maart 2014 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de inrichting van zijn nieuwe woning, gelegen op het adres [adres 2] (nieuwe woning), waarnaar hij op 17 april 2014 zou verhuizen.
1.3.
Bij besluit van 29 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 augustus 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat deze in beginsel moeten worden betaald uit het inkomen of vermogen en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat het voor hem eerder dan gedacht noodzakelijk was om opnieuw te verhuizen en dat hij niet in staat was om voor de gevraagde kosten te reserveren in verband met schulden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
Het lag op de weg van appellant, als aanvrager van bijstand, om feiten te stellen en aannemelijk te maken die grond gaven tot toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is appellant daarin niet geslaagd.
4.3.
Anders dan appellant heeft aangevoerd had hij voor de inrichtingskosten kunnen reserveren. De verhuizing naar de nieuwe woning en de kosten van de inrichting daarvan konden voor appellant redelijkerwijs niet onverwacht komen, nu hij op 13 maart 2013 met de ondertekening van de huurovereenkomst voor de oude woning had aanvaard dat deze voor een periode van niet meer dan ongeveer zes en een halve maand beschikbaar was. Appellant had bij de inrichting van de oude woning, waarvoor hem bijzondere bijstand was toegekend tot een bedrag van € 3.000,-, rekening kunnen houden met het feit dat hij op korte termijn opnieuw zou moeten verhuizen.
4.4.
De beroepsgrond dat appellant niet heeft kunnen reserveren ten gevolge van schulden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) P.C. de Wit
HD