ECLI:NL:CRVB:2015:4595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich ziek met fysieke klachten, waaronder aangezichtspijn. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet werden onderschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar duurzame inzetbaarheid was uitgesloten en dat het verzuimrisico hoger dan 25% zou zijn, mede onderbouwd met een pijndagboek. Een door de Raad geraadpleegde neuroloog concludeerde echter dat het verzuimrisico niet meer dan 25% bedroeg en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen niet onderschat had en dat de voorgehouden functies binnen de vastgestelde belastbaarheid vielen. Het verzuimrisico van maximaal 25% werd als acceptabel beschouwd. De berekeningswijze van appellante werd verworpen vanwege gebrek aan medische onderbouwing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en acceptabel verzuimrisico.