ECLI:NL:CRVB:2015:4620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterecht verleend strafontslag wegens vermeende poging woninginbraak
Appellant was sinds 2001 werkzaam bij de gemeente en werd op 7 september 2013 aangehouden vanwege een vermeende poging tot woninginbraak bij de buren. Het college verleende hem daarop met ingang van 1 januari 2014 strafontslag wegens plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat hij niet op zijn zwijgrecht was gewezen, maar deze gronden werden verworpen omdat het gebruik van het bewijs niet onrechtmatig was en het EVRM-artikel 6 niet Pro van toepassing was op disciplinaire procedures. Cruciaal was dat appellant ontkende de intentie te hebben gehad de woning binnen te treden; hij wilde slechts kijken wat er aan de hand was.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant de intentie had tot binnentreden en dat het enkel kijken bij de woning niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Daarom was het strafontslag onterecht en werd het besluit vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het disciplinaire strafontslag van appellant wordt vernietigd wegens ontbreken van plichtsverzuim.