ECLI:NL:CRVB:2015:4732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode in het buitenland
Appellant, geboren in 1947 in Oostenrijk, heeft gedurende de periode van 6 augustus 1962 tot en met 30 juni 1969 niet in Nederland gewoond of gewerkt en was daarom volgens de nationale AOW-wetgeving niet verzekerd voor de AOW. Hij verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om deze periode als verzekerd aan te merken en zijn AOW-pensioen te verhogen. Dit verzoek werd afgewezen en de afwijzing werd bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellant dat op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009 hij toch als verzekerd moest worden beschouwd voor het Nederlandse ouderdomspensioen. Tevens stelde hij dat hij tussen wal en schip viel omdat hij in die periode studeerde en militaire dienst verrichtte. De Raad oordeelde dat deze EU-verordeningen alleen de hoogte van het pensioen regelen en niet het recht op verzekering zelf, en dat de Svb het pensioen terecht had vastgesteld zonder rekening te houden met de Oostenrijkse woonperiode.
Verder wees de Raad het beroep op het Verdrag tussen Nederland en Oostenrijk inzake sociale zekerheid en op de Europese Code inzake sociale zekerheid af, omdat deze niet van toepassing waren op de periode in kwestie. De Raad bevestigde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening van het AOW-pensioen wordt afgewezen.