Appellant, met nierproblemen en psychische klachten, was geïndiceerd voor persoonlijke verzorging klasse 6 voor een beperkte periode. Na een aanvraag tot verlenging wees het CIZ een indicatie klasse 2 toe, gericht op dieetcontrole en medicatie-inname, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het CIZ trok later het besluit van 29 juli 2013 in en stelde een nieuw besluit vast.
In hoger beroep stelde appellant dat ook begeleiding voor therapietrouw en maatschappelijke participatie geïndiceerd hadden moeten worden. De Raad concludeerde dat het medisch advies waarop het CIZ zich baseerde zorgvuldig was en dat aanvullende hulp onder de Wet maatschappelijke ondersteuning valt. Daarom was de indicatie voor persoonlijke verzorging klasse 2 toereikend.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor het besluit van 29 juli 2013, verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond en veroordeelde het CIZ tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit werd ongegrond verklaard.