Appellant meldde zich in 2009 ziek met lichamelijke en psychische klachten en kreeg aanvankelijk geen recht op een WIA-uitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep overlegd appellant nieuwe medische stukken, waaronder een rapport van een door de Raad benoemde psychiater die ernstige psychische aandoeningen vaststelde en aanvullende beperkingen adviseerde.
Op basis van deze nieuwe informatie stelde het UWV in een gewijzigd besluit dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid. Appellant betwistte echter dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam is, hetgeen vereist is voor een IVA-uitkering. De Raad oordeelde dat de inschatting van de verzekeringsarts, dat herstelkansen redelijk tot goed waren gezien de lopende behandelingen en mogelijke intensieve therapie, deugdelijk was.
De Raad vernietigde het eerdere besluit dat het beroep ongegrond verklaarde en verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak bevestigt dat de beoordeling van duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid een concrete en individuele afweging vereist, waarbij medische prognoses en behandelingsmogelijkheden centraal staan.