ECLI:NL:CRVB:2015:4840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds november 2009 als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van anonieme meldingen en een sociaal rechercheonderzoek werd vastgesteld dat zij vanaf 12 november 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met J, met wie zij ook een kind had. Het college trok daarop de bijstand vanaf die datum in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het huisbezoek niet op redelijke gronden was gebaseerd en dat het college onvoldoende bewijs had voor de gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat het huisbezoek terecht was vanwege meerdere meldingen en onderzoek.
De Raad stelde vast dat J in overwegende mate bij appellante verbleef en dat sprake was van wederzijdse zorg, waaronder gezamenlijke huishoudingstaken en zorg voor kinderen. Hierdoor had appellante de inlichtingenplicht geschonden door deze situatie niet te melden. De Raad verwierp het verweer dat het college op basis van financiële gegevens had moeten vaststellen of bijstand naar gehuwdennorm mogelijk was.
Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.