ECLI:NL:CRVB:2015:4880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onvoldoende procesbelang bij studiefinancieringsschuld
Appellant ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, maar bouwde een schuld op wegens onterecht gebruik van het studentenreisproduct tijdens een periode waarin hij niet ingeschreven was. De minister corrigeerde de schuld vanaf 1 december 2012 en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat er geen wettelijke verplichting tot horen bestond en appellant niet benadeeld was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij zou worden gehoord en dat het niet horen nadelig was. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende procesbelang had omdat hij reeds volledig in het gelijk was gesteld met de kwijtschelding van de schuld vanaf 1 december 2012. Het alsnog horen zou geen feitelijke betekenis hebben en appellant stelde geen schade door het niet horen.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de gronden. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.