Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 6 juni 2013 waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 22 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische en lichamelijke klachten ernstiger zijn dan aangenomen, waardoor functioneren in de voorgestelde functies niet mogelijk zou zijn. De Raad stelde vast dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard.
De Raad oordeelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies passend zijn binnen de belastbaarheid van appellant. Een nieuw slaaponderzoek uit 2014 was niet relevant voor de situatie per 22 juli 2013. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.