ECLI:NL:CRVB:2015:498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, die sinds 1999 een WAO-uitkering ontving vanwege psychische klachten, kreeg deze in 2012 ingetrokken na een herbeoordeling door het UWV. De verzekeringsarts en psychiater concludeerden dat er geen sprake meer was van een ernstig psychiatrisch beeld, maar van een dysthymie met beperkte belastbaarheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat een diagnostische opname ontbrak en mogelijk sprake was van een onvolledige ziekteanamnese door het ontbreken van een tolk. Ook bracht zij een rapport in van een GZ-psychologe dat sprak van ernstige depressieve stoornis en paniekstoornis. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek adequaat was, de medische beperkingen niet waren onderschat en dat de informatie van de psychologe niet in tegenspraak was met eerdere beoordelingen.
Daarnaast werd een tweede bezwaar behandeld over vermeende toegenomen beperkingen sinds april 2013. Ook dit bezwaar werd ongegrond verklaard omdat de verzekeringsarts geen aanwijzingen vond voor een verslechtering van de psychische toestand. De Raad zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de eerdere uitspraken.
De Raad concludeert dat de intrekking van de WAO-uitkering terecht is en dat de geselecteerde functies passend zijn, ondanks de psychische beperkingen van appellante. Er is geen reden om de besluiten van het UWV te vernietigen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.