In deze zaak staat de loonsanctie centraal die het UWV heeft opgelegd aan het Academisch Medisch Centrum (AMC) wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor appellant, een werknemer die ziek was. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken na afloop van de wachttijd van 104 weken op grond van de Wet WIA. Het AMC betwistte deze sanctie en voerde aan dat zij voldoende re-integratie-inspanningen had verricht.
De rechtbank Amsterdam oordeelde aanvankelijk dat het AMC niet verwijtbaar tekort was geschoten in de re-integratie, waardoor de loonsanctie ten onrechte was opgelegd. In hoger beroep betwistte appellant deze uitspraak en stelde dat het AMC re-integratiekansen had gemist, met name door onvoldoende inzet in het tweede spoor en het ontbreken van passende begeleiding door het ingeschakelde re-integratiebureau.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het AMC onvoldoende inzicht kon geven in duurzame re-integratieactiviteiten en dat na juli 2011 geen adequate re-integratie-inspanningen waren verricht. Ook werd gewezen op het ontbreken van sancties tegen appellant bij vermeende onvoldoende medewerking. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van het AMC ongegrond en bevestigde de loonsanctie. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.