Uitspraak
18 juli 2013, 12/4477 en 12/4478 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl appellant op een ander adres stond ingeschreven. Naar aanleiding van een anonieme melding verrichtte de sociale recherche onderzoek naar de woonsituatie van appellanten. Het college trok de bijstand van appellante in en vorderde de kosten terug, omdat zij meende dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelden appellanten dat zij een LAT-relatie hadden en geen gezamenlijke huishouding voerden, behalve gedurende een korte periode waarin appellant ziek was. De Raad beoordeelde of het college aannemelijk had gemaakt dat appellanten in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag boden voor het standpunt van het college. Getuigenverklaringen en huisbezoeken boden geen overtuigend bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het college had daardoor de intrekking en terugvordering niet mogen baseren op een onhoudbare grondslag.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept het intrekkingsbesluit voor het grootste deel van de periode. Tevens werd het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen en werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.