ECLI:NL:CRVB:2015:614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand en later een inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en de Wet investeren in jongeren (WIJ). De gemeente stelde een onderzoek in nadat vermoed werd dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden. Hierbij werd vastgesteld dat appellante beschikte over een bankrekening op naam van haar zoon waarop kasstortingen werden gedaan die zij niet had gemeld.
Het college trok daarop de bijstand en inkomensvoorziening in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug. Appellante voerde aan dat zij niet in gebreke was gebleven en dat de stortingen niet van invloed waren op haar recht op bijstand. De rechtbank oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden, maar gaf het college gelegenheid om de motivering van de terugvordering te verbeteren.
Het college herziet daarop het terugvorderingsbedrag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellante de bankrekening en de stortingen had moeten melden, dat deze gelden als inkomen moeten worden beschouwd en dat de intrekking en terugvordering terecht zijn. Het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand en inkomensvoorziening worden bevestigd.