ECLI:NL:CRVB:2015:68
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verrekening van inkomsten met bijstandsuitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving bijstand volgens de WWB en kreeg in mei 2012 een uitkeringsspecificatie waarop meerdere bedragen in mindering waren gebracht, waardoor het uit te betalen bedrag op nul uitkwam. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard vanwege samenloop van inhoudingen en verrekening van inkomsten uit de voorgaande drie maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college gerechtigd was tot verrekening. Appellant stelde in hoger beroep dat er bijzondere omstandigheden waren om van verrekening af te zien, zoals financiële moeilijkheden en het niet kunnen bezoeken van zijn kinderen. Tevens stelde hij dat het college ten onrechte geen rekening hield met de beslagvrije voet.
De Raad overwoog dat artikel 58, derde lid, WWB (oud) een discretionaire bevoegdheid geeft tot verrekening van inkomsten over de voorafgaande drie maanden. Het college voert een vaste gedragslijn waarbij alle inkomsten worden verrekend, en appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Ook is de beslagvrije voet niet van toepassing bij deze verrekening.
Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de inkomsten van appellant heeft verrekend met de bijstandsuitkering zonder bijzondere omstandigheden.