Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
voor zover daarbij is nagelaten een dwangsom toe te kennen aan appellant;
vergoedt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd door het college teruggevorderd wegens niet gemelde financiële ondersteuning van zijn vriendin, S. Het college stelde de terugvordering vast op € 3.772,10 over een periode van 1 november 2009 tot en met 31 januari 2011, gebaseerd op een schatting van maandelijkse bijdragen van S.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit deels vanwege de zesmaandenjurisprudentie, die terugvordering beperkt tot zes maanden na een concreet signaal. Het college stelde vervolgens de terugvordering bij tot € 1.348,87 over de periode 1 november 2009 tot 1 mei 2010. Daarnaast werd een inhouding op de bijstand van € 180,- per maand stopgezet.
Appellant stelde dat het bedrag van € 180,- te hoog was en dat de kosten van treinkaartjes ten onrechte werden meegerekend. De Raad oordeelde dat het college op basis van de verklaringen van appellant en het onderzoek de bijdrage schattenderwijs mocht vaststellen. Verder werd geoordeeld dat het college naliet een dwangsom toe te kennen voor het niet tijdig beslissen op bezwaar, wat in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken over terugvordering en verrekening, vernietigde het besluit waarin geen dwangsom werd toegekend, stelde de dwangsom vast op € 40,- en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Raad bevestigt deels eerdere uitspraken, vernietigt het besluit vanwege het nalaten van een dwangsom, stelt een dwangsom van € 40,- vast en veroordeelt het college in proceskosten.