ECLI:NL:CRVB:2015:688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfskrediet en levensonderhoud op grond van Bbz wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant, die bijstand ontving, diende een aanvraag in voor bedrijfskrediet en levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om een bedrijf te starten in de import van vis uit Somalië. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden legde de aanvraag voor aan het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK), dat concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was vanwege onvoldoende onderbouwing van omzet, beperkte ondernemerskwaliteiten van appellant en gebrek aan kennis van internationale handel.
Het college wees het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond en de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ondernemingsplan een omzetverwachting bevatte en verwees naar zijn deelname aan een ondernemersproject en mogelijke begeleiding.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van levensvatbaarheid moet plaatsvinden op het moment van het besluit en dat het advies van het IMK zorgvuldig en gemotiveerd was. De door appellant aangedragen verwachtingen en begeleiding konden het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor bedrijfskrediet en levensonderhoud bevestigd.