Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van vijf verkeersboetes. Het college van burgemeester en wethouders van Purmerend wees deze aanvraag af omdat boetekosten niet tot noodzakelijke kosten worden gerekend en de omstandigheden van appellante niet als dringende redenen konden worden aangemerkt.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat een schuldenlast op zichzelf geen dringende reden is en dat appellante geen acute noodsituatie aannemelijk had gemaakt die tot levensbedreiging of blijvend ernstig letsel zou kunnen leiden. Verwijzingen naar wetswijzigingen waren niet relevant voor haar situatie.
In hoger beroep betoogde appellante opnieuw dat er zeer dringende redenen waren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een acute noodsituatie indien levensbedreiging of blijvend ernstig letsel dreigt, hetgeen niet was aangetoond.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor verkeersboetes wordt bevestigd.