Uitspraak
16 december 2013, 13/1659 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf december 2008 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding over partneralimentatie en bezit van een woning in Turkije, stelde de gemeente Hengelo een onderzoek in. Dit onderzoek, onder meer uitgevoerd door een Turks advocatenkantoor, toonde aan dat appellante geen partneralimentatie ontving maar wel een woning bezat die zij in 2012 verkocht.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dit, maar de Raad oordeelde dat zij onvoldoende en niet-verifieerbare gegevens had verstrekt over haar vermogen en bestedingen, waaronder de verkoopopbrengst van de woning en haar vakanties.
De Raad onderscheidde drie perioden waarin de bijstand werd ingetrokken: de eerste periode waarin het bezit van een afkoopsom niet was gemeld, de tweede waarin de woning het vermogen overschreed, en de derde waarin de financiële situatie onduidelijk bleef. De Raad vond de terugvordering proportioneel en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.