ECLI:NL:CRVB:2015:699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor legeskosten naturalisatie wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellant, afkomstig uit voormalig Joegoslavië en bijstandontvanger, vroeg bijzondere bijstand aan voor de legeskosten van naturalisatie. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek af omdat de kosten niet als noodzakelijk werden beschouwd, mede omdat appellant als legale vreemdeling dezelfde inkomensvoorzieningen heeft als een Nederlander en legitimatie zonder paspoort mogelijk is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de kosten noodzakelijk zijn om zijn staatloosheid te beëindigen en verwees hij naar internationale verdragen die het recht op nationaliteit en familie- en gezinsleven beschermen.
De Raad oordeelde dat, ondanks de gestelde staatloosheid en verwijzing naar verdragen, appellant geen concrete feiten heeft aangevoerd die de noodzaak van naturalisatie in zijn specifieke situatie aantonen. Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dat het EVRM geen recht op verkrijging van een bepaalde nationaliteit verleent.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor legeskosten naturalisatie wordt afgewezen wegens ontbreken van noodzakelijkheid in het individuele geval.